Medisch behandelingsprotocol voor dystrofie (CRPS I).
Terug naar Home pagepatiënten voorlichtingdystrofie preventie
Inleiding
Meestal bent u, als specialist, de eerste die de diagnose dystrofie
stelt, terwijl de onbegrepen pijnklachten al lang voortduren.
Bovendien is er doorgaans weinig begrip geweest is uit de omgeving van de patiënt
vanwege onbekendheid met de aandoening.
Dystrofie kan diepgaande psychosociale gevolgen teweegbrengen met verstoring van de
relaties met de werkgever, uitvoeringsinstanties, vrienden, kennissen en uiteindelijk
ook de partner.
Nadat poliklinisch de diagnose op de hieronder genoemde criteria is gesteld, is het van
zeer groot belang de betrokkene adequaat en met empathie te informeren én een
concreet behandelplan te formuleren.
Hiermee erkent u de patiënt en diens aandoening en dit vormt de basis voor de
vertrouwensrelatie die onontbeerlijk is voor een succesvolle en langdurige behandeling.
1. Diagnose
Post-traumatische dystrofie of sympathische reflex dystrofie heet tegenwoordig complex
regionaal pijnsyndroom type I (CRPS I). De diagnose wordt klinisch gesteld* indien de
volgende symptomen aanwezig zijn in een gebied groter dan en mede distaal van het gebied
van het letsel of operatie en optreden of verergeren bij gebruik, belasting c.q. spierarbeid.
Vier van de vijf symptomen positief
abnormale, onverklaarde diffuse pijn (niet in relatie tot het letsel, stadium van
wond-of fractuurgenezing)
abnormale huidtemperatuur (duidelijk warmer of kouder dan niet aangedane
extremiteit)
abnormale huidkleur (duidelijk roder of blauwer dan niet aangedane extremiteit)
diffuus oedeem
onverklaarde bewegingsbeperking (active range of motion; niet in relatie tot
stadium van fractuurgenezing)
* Lancet 1993; 342: 1012-6
Bijkomende symptomen zijn: atrofie van huid, nagels, subcutis, spieren en bot,
hyperhydrosis, toegenomen of veranderde haargroei, toegenomen of veranderde nagelgroei,
hypaesthesie, hyperpathie, noduli, tremoren, myoclonieën, discoördinatie, contracturen,
pseudo-paralyse, parese, psychische gevolgen. 
IASP criteria (International Association for the
Study of Pain)*: aangepaste diagnostische criteria voor CRPS research doeleinden:
A. continue persisterende pijn die in geen verhouding staat tot ernst van doorgemaakt
letsel
B. één symptoom uit elk van de vier volgende categorieën dient door
patiënt vermeld te worden:
sensorisch: hyperaesthesie
sudomotorisch/oedeem : oedeem en/of verandering in zweten en/of transpiratie
asymmetrie.
vasomotorisch: temperatuur asymmetrie en/of huidkleur veranderingen en/of huidkleur
asymmetrie
* Pain 1999; 81: 147-54
2. Behandeling
A. Triggerpointbehandeling
Primair behandelen van onderliggende oorzaak, zoals:
neurinoom, hyperpathisch litteken, carpaal tunnel syndroom, trigger finger, epicondylitis
lateralis, pseudarthrose, arthrose, etc.
B. Adequate pijnbestrijding
NSAID's: brufen 3 dd 600 mg of Arthrotec 3 dd 50 mg of nabumeton (Mebutan) 2 dd 500 mg of
meloxicam (Movicox) 1 dd 15 mg en/of tramadol (Tramal) retard 3 dd 100 mg
C. Therapeutica.
Dimethylsulfoxide (DMSO) 50% in aqua als spray of in cremor vas.cet. S. 5 dd dun
insmeren of sprayen en niet tussen tenen/vingers; 10 minuten laten intrekken, daarna
schoonwrijven of opdeppen. Niet gebruiken op erosies, wonden of locale infecties.
Behandelingsduur: maximaal 3 maanden
Fluimucil bruistabletten (N-acetylcysteïne) 3 dd 600 mg. Behandelingsduur zolang er
nog verbetering optreedt (> 3 maanden)
DMSO crème 50% (dimethylsulfoxide) 5 dd dun insmeren; 10 minuten laten intrekken
daarna schoonwrijven/opdeppen. Niet gebruiken tussen tenen en/of vingers niet gebruiken op
wonden of erosies.
fraxiparine 1 dd 0,3 ml
bedrust bij aandoening onderste extremiteit
distale extremiteit hoger leggen dan proximale (hand hoger dan elleboog; voet en onderbeen
hoger dan heup)
klinisch consult fysiotherapie: volgens voorschrift
bij ontslag:
recept fluimicil 3 dd 600 mg
recept DMSO 50%
recept Pijnstilling
machtiging voor fysiotherapie
Fysiotherapie
informatie (belasting/belastbaarheid)
binnen de pijngrens actief oefenen (met eigen spieren); niet passief doorbewegen.
extremiteit niet overbelasten
massage of hydrotherapie; Tens of interferentie; ADL / vaardigheid
Late stadia ('koude dystrofie')
Medicamenteus optimaliseren weefselperfusie:
verapamil (Isoptin) per os;
Startdosering: 1 dd 240 mg SR (sustained release) of
nifedipine (Adalat retard) 2 dd 20 mg. Bijwerkingen kunnen zijn: hoofdpijn, duizeligheid,
spierkrampen. Indien geen bijwerkingen kan na 1 week de dosering worden verhoogd: isoptin
SR 2 dd 240 mg of Adalat retard 2 dd 40 mg. Behandelingsduur: maanden, dan uitsluipen met
hopelijk geen terugval van de weefselperfusie.
Indien geen effect van isoptin of bij bijwerkingen, kan ketanserine (Ketensin) 2 dd
20 mg worden toegdiend (met evt. verhoging naar 2 dd 40 mg).
Als ook dit geen effect heeft, behoort pentoxifylline (Trental) 2 dd 400 mg nog tot de
mogelijkheden.
Spierkrampen (ook nachtelijke): R/magnesiumsulfaatpoeder 3 dd 200 mg per os
Pijnstilling: Als boven beschreven of carbamazepine (Tegretol) 2 dd 200 mg
fentanylpleister (Durogesic valt onder opiumwet; 1 pleister 25 microg/uur, na 48-72 uur
vervangen).
TENS (transcutane zenuwstimulatie)
Eindpunt: Aanpassingen mbv ergotherapie en begeleiding door revalidatie-arts en
uiteindelijk ook aanvaarding van de beperkingen en residuele pijn ('coping').
Bronvermelding:
2006 CBO richtlijn complex regionaal pijnsyndroom type I,
www.cbo.nl
The Lancet 1993; 342:1012-6
The Lancet 1999: 354; 2025-8
Pain 1999: 81; 147-54
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2000; 144 (34) 1631-5
Posttraumatische dystrofie, dr. J.B. van Mourik, Symposiumcommissie
Chirurgie Nederland, ISBN 90-800231-4-0, 1998
Farmacotherapeutisch Kompas 2000/2001; ISBN 90-70918-22-6
Geneesmiddelenbulletin, sept 2001; jaargang 35, nr. 9