Het kniegewricht wordt gevormd door drie botuiteinden. Dit zijn de onderkant van het dijbeen,
de bovenkant van het scheenbeen en de knieschijf.Zowel het uiteinde van het dijbeen als zijn de
bovenkant van het scheenbeen bedekt met een gladde laag kraakbeen. Ook de achterzijde van de
knieschijf is hiermee bedekt. Dit kraakbeen is elastisch, kan schokken en stoten opvangen.
Zolang dit oppervlak van goede kwaliteit is, kan dit gewricht tot op hoge leeftijd pijnloos
functioneren. Tussen de botuiteinden van het dijbeen en het scheenbeen bevinden zich in elke
knie een meniscus aan de binnen- en aan de buitenzijde.
De meniscus functioneert als een lager,
die de wrijving vermindert.
Tengevolge van slijtage wordt het gewrichtskraakbeen minder elastisch en droogt uit. Er komen
scheurtjes in en het wordt onregelmatig. Hierdoor verliest het zijn gladheid.
3.2 Botwoekeringen. Niet alleen het kraakbeen ondergaat veranderingen, maar ook het bot. Aan de randen van het gewrichtsoppervlak ontstaan botwoekeringen, zoals te zien is op onderstaande röntgenfoto. Hierdoor worden de fraaie gladde oppervlakten in het kniegewricht misvormd. Er ontstaat een ruw oppervlak met vaak een standsafwijking van het onderbeen. (X-of O-beenstand). |
3.3 Gewrichtskapsel.Dit wordt dikker en stugger, waardoor het gewricht nog stijver wordt. 3.4 Kniespieren. Doordat deze spieren niet meer normaal functioneren worden zij korter, waardoor de kracht en de omvang van deze spieren afnemen. |